beeldmerk-vol-sibbe

De gebruiksvergoeding

Mijn ex-partner woont in de voormalig echtelijke woning. Is hij/zij aan mij een gebruiksvergoeding verschuldigd?

 

Op het moment waarop één van de echtgenoten verstoken wordt van het gebruik en het genot van de voormalig echtelijke woning, kan de betreffende echtgenoot om een gebruiksvergoeding vragen. Voorwaarde daarvoor is echter wel dat deze (mede) eigenaar van de woning is.

 

Juridische grondslag

Het verzoek om het vaststellen van een gebruiksvergoeding kan op twee wettelijke bepalingen worden gestoeld, te weten artikel 1:165 BW en/of artikel 3:169 BW.

Op grond van artikel 1:165 BW kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen – kort samengevat – dat hij jegens de andere echtgenoot bevoegd is om gedurende zes maanden na de echtscheiding in de woning te blijven wonen. Tegenover dit gebruik van de woning dient wel een redelijke vergoeding te staan.

Artikel 3:169 BW zegt dat – kort samengevat – iedere deelgenoot bevoegd is tot het gebruik van een gemeenschappelijk goed (i.c. een woning), mits dit gebruik met het recht van de overige deelgenoten te verenigen is. Volgens de Hoge Raad heeft artikel 3:169 BW mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen. Dat kan bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.

 

Hoe wordt de hoogte van de gebruiksvergoeding vastgesteld?

Of een gebruiksvergoeding moet worden betaald, hangt af van de omstandigheden van het geval.

Zo is in de jurisprudentie een aantal voorbeelden te vinden waarin er geen gebruiksvergoeding wordt vastgesteld, omdat degene die in de woning verblijft alle lasten van de woning voor zijn/haar rekening neemt. Ook het betoog dat het gebruik van de woning past bij de wettelijke verplichting van de echtgenoten om elkaar ‘het nodige’ te verschaffen, kan een reden zijn om een verzoek om een gebruiksvergoeding af te wijzen. Voorwaarde is dan wel dat het huwelijk nog niet ontbonden is.

Als er wel aanleiding bestaat om een gebruiksvergoeding te bepalen, dan is daar geen standaard formule voor. De wetgever heeft immers geen regels geformuleerd op grond waarvan een gebruiksvergoeding dient te worden vastgesteld. In de jurisprudentie zijn verschillende wijzen te vinden waarop een gebruiksvergoeding kan worden berekend.

Zo zijn er veel uitspraken te vinden waarbij de hoogte van de vergoeding aan een bepaald percentage van de (over)waarde van de woning wordt gekoppeld. Bij die methode is van belang om te weten welk rendement redelijkerwijs zou kunnen worden behaald over het deel waarover niet kan worden beschikt. In het verleden werd hiervoor vaak aangeknoopt bij het rendementspercentage dat de wetgever over vermogen redelijkerwijs haalbaar achtte en werd er gerekend met een percentage van 4 (NB: dit percentage gold tot 2018). De praktijk leerde echter dat zo’n rendement vaak niet werd gehaald. Dat gaf rechters aanleiding om ook met andere, te weten lagere percentages te gaan rekenen. Inmiddels is het een redelijke tombola met welk percentage wordt gerekend, als de gebruiksvergoeding wordt bepaald aan de hand van een bepaald percentage van de (over)waarde van de woning. Zo rekende bijvoorbeeld het Hof Arnhem – Leeuwarden op 4 september 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:8055) met een percentage van 0,5, op 8 maart 2018 met een percentage van 2,5 (ECLI:NL:GHARL:2018:2246 en op 29 juni 2017 met een percentage van 1 (ELCI:NL:GHARL:2017:5474). Hof Den Haag rekende op 14 augustus 2018 met een percentage van 4 (ECLI:NL:GHDHA:2018:2720) en op 6 september 2017 met een percentage van 2,5 (ECLI:NL:GHDHA:2017:2955).

Verder zijn er uitspraken bekend waarbij de gebruiksvergoeding wordt berekend aan de hand van de huurwaarde van de woning. Ook in dat geval wordt vaak uitgegaan van een te behalen rendementsdoelstelling. Dit, terwijl bij het bepalen van de huurwaarde van de woning vaak meerdere factoren een rol dienen te spelen, zoals bijvoorbeeld de periode van verhuur of de vraag of de woning gestoffeerd of gemeubileerd is.

Tot slot kan een gebruiksvergoeding worden bepaald aan de hand van de lasten die aan de woning en het gebruik daarvan zijn verbonden. Daarbij kan gedacht worden aan de rente die verschuldigd is over de ter financiering van de woning aangegane geldlening(en), de kosten van onderhoud en de zakelijke lasten die door de overheid worden opgelegd.

 

Tot slot

Het feit dat het bepalen van een gebruiksvergoeding afhangt van de omstandigheden van het geval en het feit dat voor het berekenen van een gebruiksvergoeding meerdere methodes zijn, maken dat over dit onderwerp in rechte breed kan worden gedebatteerd. Dat dat zo is, blijkt ook wel uit de uiteenlopende uitspraken die over dit onderwerp te vinden zijn. Zaak is dan ook dat partijen hun stellingen binnen het debat over de gebruiksvergoeding zo goed als mogelijk onderbouwen, teneinde de rechter in hun voordeel te laten beslissen.

 

Dit is een bewerking van mijn bijdrage voor RFR februari 2019

Scroll to Top