beeldmerk-vol-sibbe

De onder uitsluitingsluitingsclausule gekregen schenking gestort op de gemeenschappelijke bankrekening. Wel of geen vergoedingsrecht? De Hoge Raad geeft duidelijkheid!

Als je vóór 1 januari 2018 bent gehuwd in gemeenschap van goederen en je krijgt een schenking waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden, dan valt die schenking niet in de gemeenschap. Dit neemt niet weg dat een onder uitsluitingsclausule verkregen schenking in de gemeenschap kan vloeien. Dat gebeurt bijvoorbeeld op het moment waarop deze op een gemeenschappelijke bankrekening wordt gestort. Privé en gemeenschapsvermogen worden hierdoor vermengd.

Aan het einde van het huwelijk ontstaat tussen echtgenoten vaak discussie over de vraag of een echtgenoot recht heeft op “teruggave” van de geschonken gelden. Door de vermenging kan namelijk niet meer worden aangetoond welke Euro op de gemeenschappelijke bankrekening uit de schenking afkomstig is en welke Euro tot de gemeenschap behoort. Ook is niet duidelijk welke Euro’s zijn gemoeid met de uitgaven die ten laste van de gemeenschappelijke bankrekening zijn gedaan. En wat te doen als het saldo van de gemeenschappelijke bankrekening aan het einde van het huwelijk nihil is en (ook) de geschonken gelden zijn opgesoupeerd?

In de literatuur en jurisprudentie zijn verschillende opvattingen te vinden over hoe met een dergelijk vraagstuk om te gaan. Enerzijds wordt betoogd dat er een recht op vergoeding bestaat, ongeacht aan wat voor soort gemeenschappelijke schuld(en) de geschonken gelden zijn besteed.[1],[2],[3] Dit is slechts anders als er andersluidende afspraken zijn gemaakt of als er sprake is van aantoonbare vrijgevigheid van de echtgenoot die de schenking ontvangen heeft.[4] Anderzijds wordt betoogd dat juist moet worden beoordeeld waaraan de geschonken gelden zijn besteed.[5], [6] Geen recht op vergoeding bestaat als blijkt dat de gelden zijn geconsumeerd of niet voor het delgen van een gemeenschapsschuld zijn gebruikt. Er is ook een middenweg in voornoemde twee visies te vinden. Die houdt in dat moet worden beoordeeld of de gemeenschap nog voldoende activa bevat voor een vergoedingsrecht, of het effectueren van het vergoedingsrecht in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid en of de gelden zijn besteed aan privéschulden.[7]

Het maakte dus nog al wat uit aan welke adviseur en/of rechter je de vraag voorlegde of je wel óf geen vergoedingsrecht hebt. Gelukkig heeft de Hoge Raad op vrijdag 5 april 2019 duidelijkheid gegeven hoe met dit soort vraagstukken om te gaan.[8]

De kwestie betrof twee ex-echtelieden die in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd. De vrouw ontving tijdens het huwelijk € 30.000,- onder uitsluiting. Het bedrag werd gestort op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen en werd aangewend voor diverse bestedingen. Bij echtscheiding vorderde de vrouw het bedrag van € 30.000,- terug.

De Hoge Raad overwoog – kort samengevat – als volgt:

De vrouw heeft – als gevolg van de bijschrijving van het bedrag van € 30.000,- op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen – in beginsel recht op vergoeding van dat bedrag.[9]

Dat het door de vrouw onder uitsluitingsclausule verkregen bedrag is aangewend voor diverse bestedingen, doet niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw. Als er ten laste van de gemeenschappelijke bankrekening gemeenschapsschulden zijn voldaan, dan brengt dat geen wijziging van het vergoedingsrecht van de vrouw mee. Dan geldt immers nog steeds dat de gemeenschap is gebaat door het aan de vrouw toekomende bedrag van € 30.000,-. Als uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan, dan is de vrouw gehouden tot vergoeding van het daarmee gemoeide bedrag aan de gemeenschap. In dat geval kan de vergoedingsvordering van de vrouw op de gemeenschap verrekend worden met haar schuld aan de gemeenschap.[10]

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat uit de regel van art. 1:94 lid 5 (oud) BW dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de aldaar onder a en b genoemde schulden en van de in art. 1:94 lid 3 (oud) BW (thans lid 5) bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht, het vermoeden volgt dat de schulden die tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen zijn voldaan gemeenschapsschulden zijn. Ook de uitgaven die in verband met consumptieve bestedingen zijn gedaan, zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Hetzelfde geldt voor de uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW. Het vermoeden dat de tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn, werkt ten gunste van de vrouw en tast het vergoedingsrecht van de vrouw niet aan.

Het is aan de man om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan de vrouw haar vergoedingsrecht jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) kan verzilveren. Dat is bijvoorbeeld het geval als met het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan of indien partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend hebben afgesproken dat de vrouw geen aanspraak meer op vergoeding heeft. De man heeft echter slechts gesteld dat de gelden van de schenking zijn besteed aan de huishouding, vakanties en consumptieve uitgaven. Die stelling is niet afdoende verweer tegen de vordering van de vrouw, omdat die uitgaven de voldoening van gemeenschapsschulden betreffen.

Het een en ander neemt niet weg dat volgens de Hoge Raad denkbaar is dat de vrouw minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, dan waartoe zij in haar verhouding tot de man op grond van art. 1:84 BW gehouden was. In dat geval – ter zake waarvan de stelplicht en bewijslast eveneens op de man rusten – heeft (niet de gemeenschap maar) de man aanspraak erop dat de vrouw het tekort aan hem vergoedt. Een dergelijke vordering op grond van art. 1:84 BW was in deze zaak echter niet aan de orde. In de praktijk zal een zodanige vordering vaak verdisconteerd kunnen worden bij de verdeling van de gemeenschap tussen de echtgenoten.

Deze uitspraak van de Hoge Raad maakt weer eens duidelijk dat echtgenoten er verstandig aan doen om een goede administratie bij te houden. Een administratie die beschrijft wat het gemeenschapsvermogen omvat en wat tot het privévermogen van de één, dan wel de ander behoort. Voorts is raadzaam om de vermogens ook feitelijk gescheiden te houden. Dat kan bijvoorbeeld door een onder uitsluitingsclausule verkregen schenking op een privébankrekening te laten storten. Als vervolgens ten laste van de schenking schulden worden voldaan, dan is het goed om vast te leggen aan welke schulden en afspraken te maken over hoe de vergoedingsaanspraak wordt berekend. Dit alles schept duidelijkheid, niet alleen in voor-, maar ook in tegenspoed.

 

[1] De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter, B. Breederveld (2008), p. 243-246.

[2] Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, A.J.M. Nuytinck (2018), p. 92.

[3] Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1977, ro. 4.4.

[4] De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter, B. Breederveld (2008), p. 243-246.

[5] De afwikkeling van een huwelijksgemeenschap, W.R. Meijer (2009), p. 35-36.

[6] Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 6 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9349, ro. 3.17 en Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 14 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4872, ro. 3.12.1.4.

[7] Gerechtshof Den Haag 11 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3780, ro. 25.

[8] HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:58.

[9] Art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) BW.

[10] Art. 1:96 lid 5 BW.

 

Bijdrage d.d. 9 april 2019

Scroll to Top