beeldmerk-vol-sibbe

Een periodiek èn een finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden: gelden beide of slechts één en zo ja, welke dan?

Het komt in de praktijk geregeld voor dat huwelijkse voorwaarden niet alleen een periodiek verrekenbeding, maar ook een finaal verrekenbeding bevatten. Dan rijst de vraag of beide gelden of slechts één van beide en zo ja, welke? Die vraag dient aan de hand van het Haviltex-criterium te worden beantwoord. Het Haviltex-criterium komt er op neer dat de huwelijkse voorwaarden niet alleen taalkundig moeten worden uitgelegd, maar dat er ook moet worden gekeken naar de betekenis die partijen aan die tekst mochten geven, gelet op de omstandigheden van het geval en op basis van wat zij van elkaar mochten verwachten.

De Hoge Raad heeft in 2007 en 2008 een tweetal uitspraken (HR:2007:AZ1106 resp. HR:2008:BB9781) gewezen over de afwikkeling van huwelijkse voorwaarden waarin sprake was van een samenloop van een periodiek en een finaal verrekenbeding. In de uitspraak van 2007 was sprake van huwelijkse voorwaarden met een – niet uitgevoerd – periodiek verrekenbeding van inkomsten uit arbeid en een ‘deelgenootschap’. Het ‘deelgenootschap’ verplichtte de echtelieden om bij het einde daarvan de vermogens van ieder van de echtgenoten te verrekenen op basis van een algehele gemeenschap van goederen. Van deze verrekening waren echter uitgesloten de aanbrengsten bij huwelijk en de waarde van de onderneming. Het hof was van oordeel dat de huwelijkse voorwaarden van partijen aldus moesten worden uitgelegd dat indien tijdens het huwelijk geen uitvoering was gegeven aan het periodiek verrekenbeding, de verrekening diende plaats te vinden overeenkomstig de regels van het ‘deelgenootschap’. De Hoge Raad achtte die uitleg niet onbegrijpelijk.

In de uitspraak van 2008 was ook sprake van huwelijkse voorwaarden met een – niet uitgevoerd – periodiek en een finaal verrekenbeding. Het finale verrekenbeding hield in dat in geval van echtscheiding zou worden verrekend alsof de echtelieden in gemeenschap van goederen zouden zijn gehuwd, met uitzondering van alle aanbrengsten bij huwelijk. Het hof oordeelde – kort samengevat – dat de door de man bij huwelijk aangebrachte woning een aanbrengst van de man was en dat aan de man diende te worden vergoed (kennelijk op grond van art. 1:95 lid 2 BW (réprise)) de door hem bij de aankoop van de tweede woning ingebrachte netto-opbrengst van de eerste woning, verminderd met de helft van de aflossingen die partijen tijdens het huwelijk van de gezamenlijke rekening hadden gedaan (kennelijk op grond van art. 1:96 lid 2 BW (récompense). De Hoge Raad sanctioneerde dit oordeel van het hof en merkte daarbij bovendien op dat art. 1:141 lid 3 BW in de beslissing van het hof terecht geen rol speelde. Het hof hoefde namelijk geen oordeel te geven over de vraag in hoeverre sprake was van overgespaarde inkomsten, nu het slechts een oordeel had te geven over de vraag wat verrekening met zich mee zou brengen volgens het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen finale verrekenbeding.

Op grond van deze uitspraken van de Hoge Raad kan gesteld worden dat als de huwelijkse voorwaarden zowel een periodiek verrekenbeding, als een (beperkt) finaal verrekenbeding bevatten en aan het periodieke verrekenbeding tijdens het huwelijk geen uitvoering is gegeven er bij echtscheiding slechts uitvoering dient te worden gegeven aan het finale verrekenbeding.

De rechtbank Amsterdam was op 14 februari 2018 (RBAMS:2018:754) echter van oordeel dat bij de echtscheiding zowel aan het finale, als aan het periodieke verrekenbeding uitvoering moest worden gegeven. De rechtbank zag daartoe niet alleen aanleiding op grond van de bedoeling van partijen, maak ook omdat het finale verrekenbeding niet in een alles omvattende verrekening voorzag. Dat maakte, naar het oordeel van de rechtbank, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om de vrouw te houden aan het finaal verrekenbeding zonder correctie. Nu in de hiervoor behandelde jurisprudentie eveneens geen sprake was van een alles omvattend finaal verrekenbeding, lijkt de rechtbank op dit punt af te wijken van de jurisprudentie van de Hoge Raad. Zo gebeurde overigens ook in de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 13 januari 2016 (RBNHO:2016:107).

Bijdrage RFR

Scroll to Top