beeldmerk-vol-sibbe

Pensioenverweer bij echtscheiding

Een echtscheiding kan tot gevolg hebben dat een bestaand vooruitzicht op bijzonder partnerpensioen teloor gaat of in ernstige mate vermindert. Een echtgenoot kan om die reden verweer tegen de verzochte echtscheiding voeren. De rechter kan in dat geval de verzochte echtscheiding niet toewijzen voordat hiervoor een billijke voorziening is getroffen. Dit wordt ook wel het zogenoemde pensioenverweer genoemd.

De ontstaansgeschiedenis

De regeling van het pensioenverweer is in de wet opgenomen in de tijd dat er nog sprake was van een levenslange alimentatieplicht. Het wegvallen van de alimentatie als gevolg van het overlijden van de alimentatieplichtige werd in die tijd nog niet gecompenseerd door het uitkeren van een bijzonder partnerpensioen. Daarvoor moest dus een voorziening worden getroffen en wel voordat de echtscheiding zou worden uitgesproken. Later is er een wettelijke regeling ingevoerd die maakte dat bij echtscheiding bijzonder partnerpensioen (dat toen nog opbouwbasis was) werd afgesplitst. Dit maakte dat het pensioenverweer minder vaak in echtscheidingsprocedures werd aangevoerd. Vandaag de dag wordt het partnerpensioen in veel pensioenregelingen echter slechts nog op risicobasis verzekerd. Het partnerpensioen is dan uitsluitend verzekerd zolang aan de pensioenregeling wordt deelgenomen. Deze ontwikkeling heeft de aandacht voor het pensioenverweer weer vergroot.

Criteria

Om een geslaagd pensioenverweer te voeren, moet volgens artikel 1:153 BW aan een aantal vereisten worden voldaan.

  1. Allereerst moet er sprake zijn van een bestaand vooruitzicht op uitkeringen bij overlijden van de echtgenoot. Het pensioenverweer kan alleen worden gevoerd ten aanzien van een uitkering uit hoofde van een partnerpensioen of daarmee vergelijkbare uitkeringen, zoals bijvoorbeeld een levensverzekering. Een pensioenverweer kan niet worden gevoerd als een vooruitzicht op bijvoorbeeld het delen in de opbrengst van de vermogensbestanddelen of ouderdomspensioen verloren gaat of ernstig wordt verminderd. Ook kan geen pensioenverweer worden gevoerd, omdat een afgesplitst bijzonder partnerpensioen ten behoeve van de ene ex-echtgenoot bij het overlijden van die ex-echtgenoot niet meer aanwast bij de andere ex-echtgenoot. Verder is er geen plaats voor het voeren van een pensioenverweer in het geval van een begunstigingwijziging van een overlijdensrisicoverzekering (waardoor het bestaande vooruitzicht op de betreffende uitkeringen teloor gaat). Tot slot zij in dit kader opgemerkt dat een pensioenverweer niet kan bewerkstelligen dat, in een situatie waarin er geen voorziening bestaat, er alsnog een voorziening wordt getroffen.  
  2. Voorts moet sprake zijn van het verloren gaan of ernstig verminderen van een bestaand vooruitzicht op uitkeringen bij overlijden van de echtgenoot. Daarvan kan sprake zijn als bijvoorbeeld een buitenlandse pensioenregeling geen bijzonder partnerpensioen kent. Niet is bedoeld dat het bijzonder partnerpensioen bij echtscheiding (nagenoeg) gelijk moet zijn aan het bijzonder partnerpensioen zonder echtscheiding.

Als aan de hiervoor genoemde criteria is voldaan, dan moet een voor beide echtgenoten billijke voorziening worden getroffen. Met het treffen van een billijke voorziening wordt niet bedoeld dat het gemis van het verwachte bijzonder partnerpensioen volledig wordt gecompenseerd. Een rechter kan voor het treffen van de voorziening een termijn stellen. Vervolgens zal de rechter beslissen of er een redelijke voorziening is getroffen. Hij kijkt daarvoor naar de omstandigheden van het geval, zoals de leeftijd van de echtgenoten, de mogelijkheid van de echtgenoot (die het pensioenverweer voert) om zelf om een billijke voorziening te treffen, het pensioenbedrag dat verloren zou gaan, en het (te verwachten) inkomen van partijen. Een billijke voorziening zou kunnen bestaan in het afsluiten van een overlijdensrisicoverzekering, in het uitruilen van een deel van het recht op uitbetaling van ouderdomspensioen ten gunste van een bijzonder partnerpensioen of de betaling van een som ineens om het tekort aan bijzonder partnerpensioen op te vangen.

Een pensioenverweer slaagt niet als redelijkerwijs te verwachten is dat de verwerende echtgenoot zelf voldoende voorzieningen kan treffen. Ook slaagt een pensioenverweer niet als de duurzame ontwrichting van het huwelijk in overwegende mate te wijten is aan de verwerende echtgenoot.

Tot slot

Tot slot zij opgemerkt dat een echtgenoot in een echtscheidingsprocedure alleen het pensioenverweer kan voeren als hij zelf niet om de echtscheiding heeft verzocht. De echtgenoot die wel (zelfstandig) om de echtscheiding heeft verzocht, kan trachten om het verlies aan bijzonder partnerpensioen te compenseren door bij het vaststellen van de alimentatieverplichting van de andere echtgenoot rekening te houden met een behoefte aan een bijzonder partnerpensioen. 

Scroll to Top