beeldmerk-vol-sibbe

Samenwoners en vergoedingsrechten: geen vanzelfsprekendheid

In dit artikel bespreek ik de uitspraak van de Hoge Raad van 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707 en hoe hiermee in de praktijk om te gaan.

De feiten

Partijen hebben een kleine vijf jaar met elkaar samengewoond in de woning van de man. Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten. De woning is tijdens de relatie verbouwd. De kosten van de verbouwing van ruim € 80.000,- zijn betaald door de vrouw. Partijen gaan uit elkaar. Heeft de vrouw recht op vergoeding van het bedrag van € 80.000,-? De betrokken rechters oordeelden van niet.

Het oordeel van de rechter

Kort samengevat: de vordering van de vrouw is afgewezen, omdat de rechters, op basis van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden, niet konden vaststellen welke rechtsgrond aan de vordering ten grondslag lag.

Het hof overwoog – kort samengevat – het volgende:

  • De regels die voor een gemeenschap gelden (boek 3 titel 7 BW) zijn niet van toepassing, omdat het eigendom van de woning uitsluitend aan de man toekwam. Er is derhalve geen sprake van een eenvoudige gemeenschap, als gevolg waarvan een vergoedingsrecht had kunnen zijn ontstaan.
  • Artikel 1:87 BW, dat gaat over vergoedingsrechten, is niet van toepassing, omdat dit artikel alleen van toepassing is op gehuwden.
  • Met verwijzing naar het algemene verbintenissenrecht heeft het hof, op basis van hetgeen de vrouw stelde, niet kunnen vaststellen of partijen een uitdrukkelijke overeenkomst hebben gesloten met betrekking tot de kosten van hun samenleving.
  • Met verwijzing naar het algemene verbintenissenrecht heeft het hof, op basis van hetgeen de vrouw stelde, niet kunnen vaststellen of er een stilzwijgende overeenkomst tussen partijen bestaat met betrekking tot de kosten van de verbouwing.
  • Tot slot heeft het hof (ex. art. 25 Rv), op basis van de door de vrouw gestelde feiten en omstandigheden, niet kunnen vaststellen dat de man ongerechtvaardigd is verrijkt.

De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof in stand gelaten.

In aanvulling op de beslissing van het hof overwoog de Hoge Raad – kort samengevat – dat de rechtsverhouding tussen samenwoners zonder samenlevingscontract mede wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid (ex. art. 6:2 lid 1 BW). Als ter zake van bepaalde uitgaven geen vergoedingsrecht van de één jegens de ander kan worden aangenomen (op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomst of op grond van de overige in Boek 6 BW geregelde rechtsfiguren), dan kan zo’n vergoedingsrecht voortvloeien uit die eisen van redelijkheid en billijkheid. Dat kan echter alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden. De vrouw in de onderhavige kwestie heeft echter geen bijzondere feiten en omstandigheden gesteld die kunnen meebrengen dat zij een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiend vergoedingsrecht jegens de man heeft.

Vermogensverschuiving tijdens de relatie. Wat is verstandig om te doen?

Om discussie over een vermogensverschuiving die tijdens de relatie heeft plaatsgevonden zo veel als mogelijk te voorkomen, is het raadzaam om een (notarieel) samenlevingscontract, een daarop aanvullende (notariële) overeenkomst of (in geval van scheiding) een scheidingsconvenant te sluiten waarin een regeling is opgenomen over de verbintenisrechtelijke afwikkeling voor die vermogensverschuiving.

Wat gebeurt er als er geen uitdrukkelijke afspraak is gemaakt en er ontstaat discussie?

Als er geen uitdrukkelijke afspraak is gemaakt, dan dient eerst te worden onderzocht of er stilzwijgend een afspraak is gemaakt. Uit de gedragingen van partijen moet blijken of zij hetzelfde rechtsgevolg (van bijvoorbeeld schenking, lening, verrekening, natuurlijke verbintenis) hebben beoogd. Het is lastig om achteraf de bedoeling van partijen vast te stellen. Hoewel de jurisprudentie handvatten biedt, is het moeilijk aan te geven aan welke voorwaarden exact moet worden voldaan wil sprake zijn van een stilzwijgend gemaakte afspraak.

Als niet kan worden vastgesteld of stilzwijgend een afspraak is gemaakt, dan dient te worden onderzocht of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking (art. 6:212 BW) of onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW). Van ongerechtvaardigde verrijking is sprake als de verrijking van de ene partner, ten koste van verarming van de andere partner, niet gerechtvaardigd is. Als aan deze criteria is voldaan is, dan is de verrijkte partner, voor zover dat redelijk is, verplicht aan de verarmde partner een schadevergoeding te betalen. Van onverschuldigde betaling is – onder meer – sprake als de ene partner zonder een rechtsgrond aan de andere partner een geldsom heeft betaald. Het onverschuldigd betaalde bedrag moet dan worden terugbetaald.

Indien en voor zover niet kan worden vastgesteld of sprake is van ongerechtvaardigde verrijking of onverschuldigde betaling, dan kan nog een beroep worden gedaan op de eisen van redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 BW). Een dergelijk beroep heeft echter alleen kans van slagen als sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan een vergoedingsrecht is ontstaan.

In verband met de stelplicht en de bewijslast is het in gerechtelijke procedures van groot belang om voldoende feiten en omstandigheden te stellen. De rechter heeft die feiten en omstandigheden nodig om te kunnen vaststellen of sprake is van één van de hiervoor genoemde rechtsgronden. Als de rechter niet kan vaststellen of sprake is van één van de hiervoor genoemde rechtsgronden, dan zal hij de vordering afwijzen. Dat lijkt in deze zaak te zijn gebeurd.

Vragen?

Heb je specifieke vragen over jouw situatie of het bovenstaande? Neem dan gerust contact met mij op.

18 juni 2019

Scroll to Top